Ben je bestuurder van een kleine vennootschap en zoek je een fiscaal voordelige manier om geld uit je vennootschap te halen? De liquidatiereserve is een van de twee preferentiële regelingen die je moet kennen om dividenden uit te keren, naast het VVPR-bis. Het principe is gebaseerd op de betaling van een afzonderlijke aanslag van 10% bij de aanleg, in ruil voor een verlaagde roerende voorheffing bij de uitkering. De hervormingen van 2025 en 2026 hebben de tarieven en termijnen gewijzigd: dit artikel zet alles op een rij zoals het vandaag van toepassing is.

Samenvatting
  • De liquidatiereserve is voorbehouden aan kleine vennootschappen en maakt het mogelijk dividenden aan een verlaagd tarief uit te keren;
  • Bij de aanleg is onmiddellijk een afzonderlijke aanslag van 10% verschuldigd;
  • Bij uitkering na de wettelijke termijn geldt een verlaagde roerende voorheffing;
  • Er bestaan vandaag drie fiscale regelingen naast elkaar, afhankelijk van de aanlegdatum van de reserve;
  • Bij vereffening van de vennootschap is geen bijkomende voorheffing verschuldigd op de aangelegde reserves.

 

Wat is een liquidatiereserve?

De liquidatiereserve stelt kleine vennootschappen in staat een deel van de winst na belastingen toe te wijzen aan een bijzondere reserve. Als tegenprestatie wordt onmiddellijk een afzonderlijke aanslag van 10% betaald. Vervolgens keert de vennootschap deze reserve uit aan een verlaagde roerende voorheffing, die veel lager ligt dan het gewone tarief van 30%.

Deze regeling is dus uitsluitend bestemd voor kleine vennootschappen in de zin van artikel 1:24 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. Een grote vennootschap kan er bijgevolg geen gebruik van maken.

Goed om te weten
De liquidatiereserve biedt een uniek voordeel. Als de vennootschap wordt ontbonden en vereffend, is er geen bijkomende roerende voorheffing verschuldigd op de aangelegde reserves. De bij de aanleg betaalde aanslag van 10% vormt dan de totale fiscale last.

 

Wat zijn de voorwaarden om een liquidatiereserve aan te leggen?

Om een liquidatiereserve aan te leggen, moeten vier voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn.

  • De vennootschap moet een kleine vennootschap zijn in de wettelijke zin;
  • De reserve kan alleen betrekking hebben op de winst na belastingen van het lopende boekjaar; overgedragen winsten uit vorige jaren zijn uitgesloten;
  • De reserve moet in een afzonderlijke passiefrekening worden opgenomen, binnen het eigen vermogen;
  • Een bijzondere aanslag van 10% is verschuldigd bij de aanleg, berekend op het nettobedrag dat wordt toegewezen.

⚠️ Belangrijk: het aan de reserve toegewezen bedrag, verhoogd met de aanslag van 10%, mag de winst na belastingen van het boekjaar niet overschrijden. Overgedragen verliezen uit vorige jaren verhinderen echter niet de aanleg van een reserve op de lopende winst.

Voorbeeld

Een kleine bv sluit boekjaar 2025 af met een winst na belastingen van 10.000 €. Ze beslist het volledige bedrag toe te wijzen aan een liquidatiereserve.

  • Afzonderlijke aanslag van 10%: 909 €
  • Bedrag van de aangelegde reserve: 9.091 €
  • Totaal: 10.000 € (= winst na belastingen)

De aanslag van 909 € is opgenomen in de Ven.B.-aangifte. Ze wordt door de vennootschap betaald bij ontvangst van het aanslagbiljet, enkele maanden na het indienen van de aangifte.

⚠️ Belangrijk: de aanslag wordt berekend van binnen, dat wil zeggen dat ze wordt afgehouden van de winst na belastingen, en niet bovenop wordt toegevoegd. Om een reserve van 10.000 € aan te leggen, heb je dus een winst na belastingen nodig van 11.111 € (namelijk 10.000 € + 10% × 11.111 € = 1.111 € aanslag).

 

Onthoud
De afzonderlijke aanslag van 10% is verschuldigd vanaf de aanleg van de reserve, ongeacht een toekomstige uitkering. Als de vennootschap daarna financiële moeilijkheden ondervindt en geen dividenden meer kan uitkeren, is deze aanslag definitief verloren. Bij een risico op faillissement of onzekerheid over de continuïteit van de vennootschap, is het dus beter geen gebruik te maken van de liquidatiereserve.

 

Welke roerende voorheffing bij uitkering?

Hier wordt de situatie complexer. Er bestaan vandaag namelijk drie regelingen naast elkaar. De toepasselijke regeling hangt onder meer af van de aanlegdatum van de reserve en de uitkeringsdatum.

 

Klassieke regeling: vóór 1 juli 2025

Onder de oude regeling bedroeg de wachttermijn 5 jaar. Na deze termijn bedroeg de roerende voorheffing 5%, wat neerkomt op een totale fiscale last van 13,64%. Elke uitkering vóór deze termijn van 5 jaar leidde daarentegen tot een voorheffing van 20%, voor een totale last van ongeveer 27,27%. Dit tussentarief van 20% werd afgeschaft door de Arizona-hervorming van juli 2025.

 

Arizona-hervorming: vanaf 1 juli 2025

De wet van 18 juli 2025 heeft de regels gewijzigd. Sindsdien is de wachttermijn teruggebracht tot 3 jaar. Als tegenprestatie stijgt de voorheffing van 5% naar 6,5%. De totale fiscale last bedraagt dus 15% na 3 jaar. Elke uitkering vóór deze termijn leidt tot een roerende voorheffing van 30%, bovenop de aanslag van 10% die al bij de aanleg werd betaald. De totale last overschrijdt dan 36%, waardoor het voordeel van de regeling volledig tenietgedaan wordt.

 

Programmawet: vanaf 1 juli 2026

De programmawet die in mei 2026 werd aangenomen, voorziet in een nieuwe verhoging. Vanaf 1 juli 2026 stijgt het voorheffingstarief van 6,5% naar 9,8%. De totale fiscale last na de wachttermijn bedraagt zo 18%, exact hetzelfde niveau als het VVPR-bis. De wetgever heeft de twee regelingen bewust op elkaar afgestemd.

Deze verhoging is van toepassing op dividenden die vanaf die datum worden toegekend of betaalbaar gesteld.

Belangrijk
Het belastbaar feit voor de roerende voorheffing is de toekenning of betaalbaarstelling van het dividend. Het loutere verstrijken van de wachttermijn volstaat niet. Een algemene vergadering moet dus formeel beslissen tot uitkering.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de regelingen per uitkeringsperiode.

UitkeringsperiodeWachttermijnRoerende voorheffingTotale fiscale last
Vóór 1 juli 20255 jaar5 %13,64 %
Van 1 juli 2025 tot 30 juni 20263 jaar (of 5 jaar oud stelsel)6,5 % (of 5 % indien reserve ≤ 30/12/2025)15 % (of 13,64 %)
Vanaf 1 juli 20263 jaar9,8 %18 %
Bij vereffeningGeen0 %9,09 % (enkel bijdrage)
Uitkering vóór de termijn/30 %~36,4 %

 

Welke overgangsregeling geldt voor bestaande reserves?

De vraag naar de overgangsregeling is dan ook essentieel voor bestuurders die al reserves hebben aangelegd. De wet maakt een onderscheid tussen twee situaties.

Voor reserves aangelegd uiterlijk op 30 december 2025 beschik je over drie opties, afhankelijk van het moment van uitkering:

  • 5 jaar wachten en uitkeren aan 5%, als de uitkering vóór 1 juli 2026 plaatsvindt;
  • Uitkeren na 3 jaar aan 6,5%, als de uitkering vóór 1 juli 2026 plaatsvindt;
  • Uitkeren na 1 juli 2026 aan het dan geldende tarief, namelijk 9,8%, ongeacht de verstreken termijn.

Voor reserves aangelegd vanaf 31 december 2025 geldt alleen de nieuwe regeling: een wachttermijn van 3 jaar en een tarief van 9,8% op het moment van uitkering.

Voorbeeld

Een bv heeft een liquidatiereserve aangelegd van 50.000 € voor boekjaar 2021 (afsluiting op 31 december 2021, dus vóór 30 december 2025). Ze overweegt een uitkering.

Scenario A: uitkering vóór 30 juni 2026 na 5 jaar (oude regeling)

  • Roerende voorheffing: 5% × 50.000 € = 2.500 €
  • Totale last: 5.000 € (aanslag) + 2.500 € = 7.500 €

Scenario B: uitkering vóór 30 juni 2026 na 3 jaar (nieuwe overgangsregeling)

  • Roerende voorheffing: 6,5% × 50.000 € = 3.250 €
  • Totale last: 5.000 € (aanslag) + 3.250 € = 8.250 €

Scenario C: uitkering na 1 juli 2026 (tarief 9,8%)

  • Roerende voorheffing: 9,8% × 50.000 € = 4.900 €
  • Totale last: 5.000 € (aanslag) + 4.900 € = 9.900 €

In dit geval blijft scenario A het meest voordelig, op voorwaarde dat je vóór 1 juli 2026 kunt uitkeren en de termijn van 5 jaar al verstreken is.

 

Goed om te weten
Het scenario aan 5% is alleen toegankelijk als de termijn van 5 jaar al verstreken is vóór 1 juli 2026. Concreet betreft dit uitsluitend reserves aangelegd voor boekjaren afgesloten vóór 1 juli 2021. Om hiervan te profiteren, moet de vennootschap een buitengewone algemene vergadering bijeenroepen en formeel beslissen tot uitkering vóór die datum.

 

Liquidatiereserve of VVPR-bis: wat zijn de verschillen?

Beide regelingen leiden tot een vergelijkbare fiscale last, maar hun logica verschilt op meerdere punten.

Het VVPR-bis vereist geen onmiddellijke betaling van een afzonderlijke aanslag. Het verlaagde tarief is automatisch van toepassing elk jaar vanaf het derde boekjaar, zowel op de winst van het lopende boekjaar als op overgedragen winsten.

De liquidatiereserve impliceert daarentegen een vooruitbetaling van 10%, en de termijn van 3 jaar geldt voor elke reserve afzonderlijk. Ze biedt echter een uniek voordeel: bij vereffening is geen bijkomende voorheffing verschuldigd. De berekeningsbasis is ook beperkter, beperkt tot de winst van het lopende boekjaar.

 

Een goed uitgebouwde strategie rond de liquidatiereserve kan over meerdere jaren een aanzienlijke fiscale besparing opleveren. Maak een gratis afspraak met onze experts, zij helpen je de regeling te kiezen die het beste bij jouw vennootschap past. 💬