De algemene boekhouding kan op het eerste gezicht complex lijken, zeker als je pas begint als zelfstandige. Toch is het essentieel om de basisterm van de boekhouding te begrijpen om de financiële gezondheid van je activiteit op te volgen. Het beheersen van dit vocabulaire stelt je in staat om efficiënt te communiceren met je boekhouder en betere beslissingen te nemen.

Hier vind je een duidelijk en toegankelijk lexicon om de essentiële begrippen van de algemene boekhouding te ontcijferen.

 

De resultatenrekening

De resultatenrekening vergelijkt wat je verdient met wat je uitgeeft over een bepaalde periode. We spreken dan van een maandelijks, driemaandelijks of jaarlijks resultaat, afhankelijk van de gekozen periodiciteit.

Opbrengsten: het geheel van inkomsten gegenereerd door je activiteit, of die nu afkomstig zijn van je verkopen, beleggingen of andere bronnen.

Kosten: het geheel van uitgaven verbonden aan je beroepsactiviteit, zoals huur, aankoop van goederen of verzekeringen.

Omzet: het totaal van de verkopen van goederen of diensten gefactureerd aan je klanten. Dit is de belangrijkste component van de opbrengsten voor een zelfstandige.

Diensten en diverse goederen (DDG): kostencategorie die de lopende uitgaven groepeert zoals huur, telefoon, kantoorbenodigdheden of verplaatsingen.

Afschrijvingen: spreiding van de kosten van een investering over de nuttige levensduur ervan.

Voorbeeld:

Een computer aangekocht voor 1.200 € en afgeschreven over 3 jaar genereert 400 € afschrijvingskosten per jaar. Je resultaat wordt dus gedurende 3 jaar beïnvloed met -400 €/jaar.

 

Waardeverminderingen: vaststelling van een waardedaling van een actief, zoals een in waarde gedaald terrein, verouderde voorraad of een vordering waarvan de inning onzeker is.

Voorbeeld:

Een klant is je al 20 maanden 1.500 € verschuldigd. Ondanks meerdere herinneringen betaalt hij niet. Je vreest dit bedrag definitief te verliezen. Je besluit dan het bedrag van de vordering excl. btw te boeken via een waardevermindering.

 

De resultaatsindicatoren

Resultaat: het verschil tussen de opbrengsten en de kosten.

Winst: situatie waarin je opbrengsten hoger zijn dan je kosten.

Verlies: de omgekeerde situatie: je kosten zijn hoger dan je opbrengsten.

Brutomarge: het verschil tussen de omzet en de kostprijs van de goederen en onderaannemers. Het geeft aan wat er overblijft vóór de dekking van je werkingskosten.

Bedrijfsresultaat: het verschil tussen de bedrijfsopbrengsten en de bedrijfskosten. Het meet de prestatie van je hoofdactiviteit, zonder rekening te houden met kosten die bijvoorbeeld verband houden met de financiering van je onderneming.

EBITDA (Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation, and Amortization): resultaat vóór interest, belastingen, afschrijvingen en waardeverminderingen. Dit is een rentabiliteitsindicator die geen rekening houdt met de financiering van je activiteit, noch met puur boekhoudkundige verrichtingen zoals afschrijvingen.

Goed om te weten
De EBITDA wordt vaak gebruikt door banken of investeerders om de rentabiliteit van een activiteit te beoordelen, ongeacht de financiële of fiscale structuur. Het is een goede indicator van de bruto operationele prestatie.

Financieel resultaat: saldo tussen de financiële opbrengsten (ontvangen interesten, meerwaarden) en de financiële kosten (betaalde interesten op leningen).

 

De balans

De balans geeft een overzicht van je vermogen op een bepaald moment. Ze is opgedeeld in twee delen: het actief en het passief.

 

Het actief: wat je bezit

Actief: alles wat je onderneming bezit of wat haar verschuldigd is. Het is onderverdeeld in twee grote categorieën.

Vaste activa: duurzame goederen bestemd om op lange termijn in de onderneming te blijven, zoals materiaal, voertuigen of octrooien.

Vlottende activa: kortetermijnelementen die regelmatig worden vernieuwd, zoals voorraden, klantenvorderingen of beschikbare liquiditeiten.

Ontvangsten: bedragen die effectief op je bankrekening zijn ontvangen, ongeacht de factureringsdatum.

Uitgaven: effectief betaalde bedragen, ongeacht de datum waarop de kost wordt geboekt.

Belangrijk
In de algemene boekhouding kan een opbrengst worden geboekt zonder dat het geld al op je rekening staat. Dat is het verschil tussen een opbrengst (verkoop) en een ontvangst (inning).

Nettokaspositie: het verschil tussen je beschikbare middelen (geld in kas of op je bankrekening) en je kortetermijnschulden. Dit is een essentiële indicator van je dagelijkse liquiditeit.

 

Het passief: wat je verschuldigd bent

Passief: het geheel van financieringsbronnen van je activiteit. Het geeft aan hoe je actief wordt gefinancierd.

Eigen vermogen: kapitaal ingebracht door de vennoten of geaccumuleerde en niet-uitgekeerde winsten. Het vertegenwoordigt de financiële soliditeit van je onderneming.

Schulden: bedragen die je aan derden moet terugbetalen, of het nu gaat om bankleningen, leveranciersschulden of fiscale schulden.

Voorzieningen: bedragen opzijgezet om toekomstige, waarschijnlijke kosten op te vangen waarvan het exacte bedrag nog niet bekend is.

Voorbeeld:

Je biedt een garantie op de producten die je aan klanten verkoopt. In dat kader moet je mogelijk producten van bepaalde klanten vervangen, wat een kost voor jou betekent. Je anticipeert op deze kost door ze als voorziening te boeken.

 

Het algemene vocabulaire van de boekhouder

Naast de balans en de resultatenrekening steunt de algemene boekhouding op specifieke registratiemechanismen en -instrumenten.

 

De boekhoudkundige bewegingen

Rekening: virtuele rubriek waarin verrichtingen van dezelfde aard worden gegroepeerd. Er bestaat een bankrekening, een leveranciersrekening, een btw-rekening, enzovoort.

Debet: de linkerkant van een rekening. Het registreert een toename van het actief of een afname van het passief.

Credit: de rechterkant van een rekening. Het registreert een toename van het passief of een afname van het actief.

Debiteren: een boeking aan de debetzijde van een rekening registreren.

Crediteren: een boeking aan de creditzijde van een rekening registreren.

Goed om te weten
In de dubbele boekhouding wordt elke verrichting altijd in twee rekeningen geboekt: één keer aan de debetzijde en één keer aan de creditzijde.

 

De registratiemiddelen

Rekeningsstelsel: genormaliseerde lijst van alle bruikbare rekeningen. In België is dit wettelijk vastgelegd en ingedeeld in klassen genummerd van 1 tot 7.

Dagboek: chronologisch register waarin elke verrichting wordt ingeschreven naarmate ze plaatsvindt.

Proefbalans: overzichtstabel met per rekening het totaal van de debet- en creditbewegingen en het saldo. Ze laat toe om op elk moment het evenwicht van de boekhouding te controleren.

Voorbeeld:

Je betaalt een leveranciersfactuur van 500 €. Je crediteert je bankrekening (die daalt) en je debiteert de leveranciersrekening (je schuld daalt). Deze twee bewegingen zijn in evenwicht in de proefbalans.

 

Afsluiting: eindejaarverrichting waarbij alle rekeningen worden afgesloten, het jaarresultaat wordt berekend en de officiële balans en resultatenrekening worden opgesteld.

Wist je dit?
De jaarlijkse afsluiting betekent niet dat je tot het einde van het jaar moet wachten om je cijfers op te volgen. Een goede boekhoudapplicatie geeft je in real time toegang tot je situatie, zonder te wachten op de afsluiting.

 

Het boekhoudkundig vocabulaire beheersen betekent de controle over je activiteit terugwinnen. Je stelt de juiste vragen, leest je financiële documenten met inzicht en werkt beter samen met je accountant.

 

Heb je vragen over je boekhouding of het dagelijks beheer van je rekeningen? Maak een (gratis) afspraak met onze experten, zij helpen je graag verder 💬